BLOG

Vragen mogen stellen is niet altijd genoeg

dinsdag 12 augustus 2014

Alleen zeggen dat kinderen met vragen mogen komen, is niet altijd genoeg.
Een gesprek met de ouders van Nienke. Nienke zit in groep 5. Ze vertegenwoordigt een flink aantal kinderen. De overeenkomsten met andere kinderen is duidelijk. Niet om hulp vragen, dalende resultaten op de toetsen en een toenemende weerstand tegen leren. Nienke heeft een goede kleutertijd gehad. Ze ging met plezier naar school. De kleutertoetsen maakte ze goed. In groep 3 laat ze op één toets een slechte score zien, maar nadat haar duidelijk is gemaakt hóe ze de toets moet maken, zijn volgende scores weer op niveau. Dan wordt er een dalende lijn in de cito-scores zichtbaar. Vooral op het gebied van rekenen. De laatst behaalde score laat een laaggemiddeld resultaat zien. De ouders van Nienke zijn een paar keer op school geweest. Ze krijgen iedere keer te horen dat rekenen lastig is voor Nienke. De leraar die nu voor de klas staat is een aardige man. Het contact tussen Nienke en hem is goed. Hij vertelt de ouders dat Nienke bij rekenen niet om hulp vraagt. Hij zegt steeds weer tegen Nienke dat ze bij hem mag komen met vragen, maar ze komt niet. Als Nienke een beurt krijgt geeft ze geen antwoord. De leraar zegt dan tegen Nienke dat ze ook best een fout antwoord mag geven. Dat geeft niets…als ze maar een antwoord geeft. Maar ook dat doet Nienke niet. De ouders maken zich zorgen. Ze willen graag weten of Nienke misschien niet in staat is om te leren. Dat zou toch kunnen? Misschien zit het er gewoon niet in? Het zou hun niets uitmaken. Maar ze willen wél dat ze goed in haar vel zit. Nienke laat steeds vaker merken dat ze een grote hekel heeft aan rekenen. De moeder van Nienke doet haar best om Nienke te helpen. Thuis oefenen met tafels, samen op de computer werken. Maar beter wordt het niet. De ouders weten niet wát precies moeilijk is voor Nienke. Dat kon de leraar hen niet vertellen. Hij weet het zelf ook niet goed. Duidelijk is dat ze niet om hulp vraagt en dat ze geen antwoord geeft als ze de beurt krijgt. Het is de moeder van Nienke opgevallen dat ze op haar vingers telt. Eigenlijk altijd. Ook heeft Nienke gezegd dat ze de getallenlijn lastig vindt. Daar maakt ze veel fouten mee. Het is niet raar dat Nienke niet om hulp vraagt. Ook al wordt haar verteld dat ze dit mag. Veel kinderen die problemen hebben met (bijvoorbeeld) rekenen zijn niet in staat om op de leerkracht af te stappen voor hulp. Dit kan verschillende redenen hebben. Maar als Nienke om hulp zou kúnnen vragen, dan zou ze dit waarschijnlijk wel doen. Als Nienke echter niet kan vertellen waarbij ze precies hulp nodig heeft, wordt het een stuk lastiger voor haar.  Om hulp vragen in situaties die lastig voor je zijn is een vaardigheid op zich. Vaardigheden kun je ontwikkelen. Bij de meeste kinderen gaat dit grotendeels vanzelf, bij andere kinderen niet. Hier wordt vaak niet bij stil gestaan. Veel onderwijzers nodigen kinderen wel degelijk uit om met vragen te komen. De manier waarop ze dit doen is bepalend voor de reactie van het kind. ‘Wat snap je niet?’ kan een hele moeilijke vraag zijn voor een kind. Het levert vaak weinig informatie op. Informatie die juist zicht zou moeten geven op wat het kind nodig heeft. Concrete vragen leveren meer informatie op. En bij vragen hoort luisteren, zonder zelf te veel in te vullen. ‘Wat doe je als je de som ziet?, ‘Welke stappen heb je nodig om de som op te lossen?’, ’Weet je wélke stappen je nodig hebt om de som op te lossen?’. Zelfs dergelijke vragen kunnen al te lastig zijn. Als kinderen niet weten wat ze moeten zeggen kan een vraag als  ‘Wat denk je als je de som ziet?’ helpen. Een andere manier om informatie te verzamelen is doorvragen naar of het onderzoeken van de vaardigheden die het kind nodig heeft om de som op te kunnen lossen (Kan het kind splitsen? Beheerst het kind rijgen? Beschikt het kind over getalbegrip?). Pas als duidelijk is wat een kind kan, weet je of het kind in staat is om de som op te lossen. Er wordt vaak vanuit gegaan dat kinderen de basisvoorwaarden beheersen, terwijl dit niet altijd het geval is. Alleen zeggen dat kinderen met vragen mogen komen is dus niet altijd genoeg. Kinderen die niet makkelijk zelf om hulp vragen hebben een onderwijzer nodig die de hulpvraag van het kind signaleert én vertaalt. Op die manier kan het kind de vaardigheid ontwikkelen om zelf om hulp te vragen. Een belangrijke en dankbare taak voor onderwijzers.
Maar, waarom geeft Nienke geen antwoord als ze een beurt krijgt tijdens de rekenles? Het geeft toch niets als ze een verkeerd antwoord geeft? Het antwoord hierop kan verhelderend werken. Om op een fout antwoord te komen, zal Nienke de stappen van de som, de strategie, moeten kunnen toepassen. Op het moment dat ze niet in staat is om deze stappen te doorlopen, kan ze dus ook niet op een fout antwoord uit komen. Ook hierbij wordt vaak niet stil gestaan. Een fout antwoord geven kan net zo moeilijk zijn als het geven van een goed antwoord.  Een alternatief is zomaar iets roepen, maar dat willen veel kinderen niet. Want wát moeten ze dan roepen?
Nienke blijkt, na onderzoek, de basisvaardigheden voor het rekenen niet te beheersen. Ze heeft inmiddels een aantal vlucht strategieën ontwikkeld waar ze op terug kon vallen. Maar nu ze in groep 5 zit, redt ze het daar niet meer mee. Nienke vertelt tijdens het onderzoek dat ze de instructie vaak wel kan volgen. Als de leraar het uitlegt klinkt het zo logisch, bijna makkelijk. Maar dan… Ze heeft weleens om hulp gevraagd. Dan vroeg de leraar haar wat hij had uitgelegd. Dat kon ze niet goed terug vertellen. En dat vond ze vervelend, want de leraar dacht dat ze niet had opgelet. Hij vertelde het dan nog een keer en daarmee kon ze het doen. Maar als ze aan haar tafel zat, was ze het alweer vergeten. Ze durfde dan niet terug te gaan.
Inmiddels werken Nienke en haar leraar goed samen. Ze hebben onderling afspraken gemaakt en Nienke vindt het steeds makkelijker om aan hem te vertellen wat ze lastig vindt. En soms hoeft ze niet eens naar hem toe, want dan weet hij van tevoren al wat ze moeilijk vindt. Dat vindt ze zo knap van hem. En als ze de beurt krijgt in de klas, mag ze samen met de leraar de som in kleine stapjes maken. Dit lukt haar de laatste tijd zelfs vaker zelf. Het doet haar goed en de leraar is trots op haar. Thuis oefent ze met korte rekenspelletjes. Die vindt ze leuk. Rekenen is nog steeds niet haar lievelingsvak, maar ze heeft er geen hekel meer aan. Ze weet nu dat ze er samen met haar leraar altijd uit komt.