BLOG

Veilig op afstand. Omgaan met kinderen die het vertrouwen in hun omgeving zijn verloren.

donderdag 7 november 2013

Ze viel direct op. Anne. Groot, lange bos haren in een staart. Een zachte gezichtsuitstraling als ze dacht dat niemand keek. Anne zou de grootste uitdaging worden van het jaar. Misschien wel in jaren. Een echte meid, 11 jaar, in een middenbouwgroep. Haar schoolverloop kenmerkte zich door afwezigheid. Af en toe een dag, maar vaker kwam ze meerdere dagen, soms weken niet naar school. Daarom had ze een grote leerachterstand opgedaan. Althans, op het gebied van rekenen, taal en spelling.
Op een ander gebied had Anne al veel geleerd. Meer dan andere kinderen ooit zullen leren. Dingen die kinderen niet zouden moéten leren; overleven. Anne verloor haar vader en de moeder van Anne was niet beschikbaar. Anne woonde overal en nergens. Haar basis lag bij een familielid. Zelf vaak onderweg en op pad. Wie lette op Anne? Ze was lastig bereikbaar voor jeugdzorg, die desondanks haar best bleef doen om het meisje te ondersteunen. Ondertussen lette Anne lette vooral op zichzelf. De eerste schooldag miste ze eigenlijk nooit. De eerste week wilde ze meestal ook nog wel komen. En daardoor ontstond een kans. Een kans voor ons om Anne bij ons te houden. Een kans voor Anne om een plek te krijgen waar ze kind mocht zijn. Maar hoe pak je zoiets aan? Dat staat niet in een boek.
……………………..
We besloten op ons gevoel te vertrouwen. Te bouwen op de ervaring die we hadden opgedaan met kinderen en overlevingsmechanismes. En zo hebben we geprobeerd om een veilige afstand te creëren tussen onszelf en Anne. Dat vereiste observeren. Het letten op signalen die ze afgaf.
Als eerste bleek dat direct oogcontact te bedreigend voor haar was. Met een blik kon je haar van je vandaan drijven. Soms draaide ze zich letterlijk van je vandaan. Ook het direct aanspreken of vragen stellen was te bedreigend. Daarom lieten we Anne de eerste dagen met rust. Haar schriften en werk werden uitgedeeld. Haar naam werd genoemd zonder directe boodschap. Bijvoorbeeld: “Het groepje van Anne mag opruimen”. Op die manier maakten we haar duidelijk dat ze erbij hoorde. Ze werd zoveel mogelijk op een indirecte manier aangesproken.
Belangrijke momenten waren die, waarop ze last had van andere kinderen. Anne duldde kinderen niet te dichtbij haar in de buurt. Juist op die momenten namen we haar in bescherming, door te zeggen: “Wil je daar mee stoppen. Dat is niet prettig voor Anne.” Iedere volgende dag waren we blij verrast. Anne bleef terugkomen. Net als de andere kinderen leverde ze netjes haar schriften in. Ze luisterde als er opdrachten gegeven werden. Kortom, ze draaide mee met de groep.  Er was echter geen sprake van contact. Ze deed ons denken aan een schuw hertje. Ze hield alles in de gaten. Soms kwam ze dichterbij uit nieuwsgierigheid. Maar…als je te snel je hand naar haar uit stak, draaide ze zich om en was je haar kwijt.
Toen kwam het moment, waarna alles anders werd. Tijdens een rekenles kwam Anne aan het bureau staan. Ze legde haar schrift neer. “Ik snap het niet”. En toen gebeurde het:
Tijdens de uitleg begon ze tegen me aan te leunen. Eerst subtiel. Ik reageerde er niet op. Liet het gebeuren. Anne leunde sterk tegen me aan. Een moment om niet meer te vergeten. Gedurende de hele uitleg bleef ze zo staan. Daarna ging ze weer zitten. We hebben elkaar niet aangekeken.
De indruk die het op me maakte was groot. Dit was een eerste aanzet tot contact. Anne zocht  op dat moment letterlijk steun.
Op de dagen erna werden er kleine stapjes gemaakt. Anne kwam steeds vaker bij ons staan. Er was contact, hoe kort of klein ook. Stapje voor stapje kwamen we dichter bij elkaar. Altijd weer de afstand inschattend die veilig bleek. Steeds vaker met onderling oogcontact. Af en toe een praatje. Op het plein vond ze het fijn om gewoon lekker bij ons te zitten. Uiteindelijk hebben we Anne dat schooljaar bij ons kunnen houden. Ze kende momenten waarop ze kind mocht zijn. Daar schrok ze zelf soms van. Hartjes tekenen, knutselen met de meiden uit de klas, achter elkaar aan rennen op het plein. Het waren nieuwe ervaringen voor haar. Schoolwerk pasten we aan haar niveau aan. Succeservaringen stonden centraal.  Ze kon amper rekenen tot 20. Anne ging oefenen met opdrachten waar ze in haar dagelijkse leven op terug kon vallen, zoals bijvoorbeeld klokkijken.
Het vraagt tijd en vertrouwen en vertrouwen en tijd en vooral veel geduld om kinderen als Anne te laten ‘leren’. Toen hadden we die ruimte. Vandaag kan het bijna niet meer. De dwang die op leraren ligt, ook in het speciaal onderwijs is enorm. ‘Jullie zijn een school, op een school wordt geleerd’.
Maar wat bereik je daarmee? Is het niet veel belangrijker om te werken aan de basisvoorwaarden voor deze kinderen? Dan praat je over veiligheid en relatie.
‘Leren vertrouwen’ is voor deze kinderen de belangrijkste les. En tegelijkertijd de moeilijkste. Daar is geen toets voor, alhoewel….die toets   is  ‘het leven’.