BLOG

Een kleine hand op een oh zo groot plein.

vrijdag 20 juni 2014

Het krioelt me voor de ogen. De pauze is begonnen en het plein loopt, nee rent, vol. Het lijkt op een grote kooi met een grijze betonnen vloer. Het fietsenhok en een schommel doorbreken de weidsheid enigszins. In de hoek een zandbak met grauw zand. Op zoek naar de leraren die toezicht houden word ik bijna omver gelopen door een groepje jongens. Ze kijken niet om en rennen door. Het plein is vol. Zo te zien zijn alle klassen buiten. De grote kinderen uit groep 8, drentelen wat rond. Ze hangen tegen het hek aan en lijken zich niet te storen aan het gekrioel om hen heen. In een hoekje van het plein staan een paar meisjes. Ze fluisteren elkaar iets in de oren en speuren om en om het plein af. Er wordt gerend, er wordt getrokken aan jassen, kinderen grijpen elkaar vast. Een onaangenaam gevoel maakt zich van me meester. Vanuit een werkomgeving waarbij de pauzes een en al structuur waren, overvalt me de drukte van het tafereel wat zich voor mijn ogen afspeelt. Het is lastig om overzicht te houden. De neiging om in te grijpen wordt steeds groter. Waar zijn de leraren die buiten horen te lopen? Welke pleinregels gelden hier? Wat is er te doen voor de kinderen behalve het elkaar opjagen? Voor mijn neus grijpt een jongetje zijn klasgenootje naar de keel. Dit kan ik niet toestaan. Ik spreek de jongens aan. Wilde ogen kijken me aan. Volkomen verbaast door mijn ingrijpen. Terwijl ik tegen ze praat willen ze alweer wegrennen. De jongens lijken oververhit en niet in staat om te luisteren. Ik blijf staan en kijk ze aan. Ze hijgen van het harde rennen, zweet staat op hun voorhoofden. Een gesprek voeren heeft geen zin, daarom houd ik het kort. Ik vertel wat ik heb gezien en vraag hen naar de afspraken die in de pauze gelden. Die zijn er niet blijkt uit het antwoord. Ze rennen weer weg. Het is niet aan mij om regels op te stellen. Het enige wat ik kan doen is ingrijpen op het moment dat kinderen elkaar letterlijk aanvliegen. Dan voel ik iets langs mijn hand gaan. Zachtjes, onzeker doch gericht. Ik kijk naast me en er staat een klein jongetje. Hij kijkt me met bange ogen aan. Ik pak zijn hand en hij gaat tegen me aan staan. Hij kijkt rond en knijpt harder in mijn hand. “Wat een drukte hè,” zeg ik tegen hem. Hij knikt en zegt niets. Kijkt rond. Als er kinderen aan komen rennen, leunt hij steviger tegen me aan. Daar staan we. Beiden onder de indruk van de hectiek die zich voor onze ogen af blijft spelen. Dan komt er een juf aan lopen. Ze komt bij me staan, neemt zijn hand over en kijkt me vriendelijk aan. “Sorry, het is zijn eerste dag”, ze wandelt vervolgens samen met het jongetje weg.